Sportbeleid is, in tegenstelling tot terreinen als onderwijs, zorg en welzijn, vooral lokaal beleid. 90 tot 95% van de uitgaven komen exclusief ten laste van de gemeenten. Exclusief, dat wil zeggen dat daar geen bijdragen van het rijk tegenover staan. Mede onder druk van afnemende overheidsfinanciën zien we ook de rol van de gemeenten kantelen; van organisator/realisator naar facilitator. Eigenlijk een rol die nauw aansluit bij de zienswijze van Thorbecke.

De lokale overheid blijft zich, ondanks de minder beschikbare middelen, wel verantwoordelijk voelen voor de aanwezigheid van voldoende goede, bereikbare en betaalbare sportvoorzieningen. Maar dit wil niet zeggen dat die overheid allerlei uitvoerende taken zoals bouw-aanleg-beheer-onderhoud-exploitatie en sportstimulering ook zelf uitvoert. De huidige opvattingen over de participatiemaatschappij zijn in de sport al lang van toepassing. Juist in de wereld van de georganiseerde sport zijn wekelijks duizenden vrijwilligers, vooral binnen de sportvereniging, actief bezig met het verzorgen van trainingen, wedstrijden, opleidingen en de organisatie van de diverse verenigingsactiviteiten. De organisatie van de sport is al jarenlang de verantwoordelijkheid van de sport zelf. De sport kan niet zonder vrijwilligers. Maar het is de vraag of die vrijwilliger ook de structurele verantwoordelijkheid zou moeten dragen voor beheer, onderhoud en exploitatie van de sportaccommodaties en het stimuleren/organiseren van allerlei sportactiviteiten zoals schoolsport, sport voor ouderen, wijksport, gehandicaptensport. Deze werkzaamheden vragen om een continue inzet van mensen en een specialistische kennis en kunde. Ook het volledig overdragen van de “sportverantwoordelijkheid” aan commerciële marktpartijen houdt de nodige risico’s in en zet de bestuurlijke doelstelling “iedereen moet kunnen sporten” onder druk. Anderzijds vragen de nieuwe verhoudingen tussen overheid – ideëel initiatief (de samenleving) en commercieel initiatief (de markt) wel om een andere aanpak; een efficiënte, klantgerichte bedrijfsvoering en een andere organisatievorm. Dat leidt tot meer kwaliteit in de dienstverlening en substantiële kostenbesparingen.

Met de ruime ervaring als directeur/bestuurder van een sportstichting, een gemeentelijke dienst, een intern verzelfstandigde organisatie en een extern verzelfstandigd sportbedrijf, zou ik u daarin, waar nodig aangevuld met de specifieke expertise van collega’s van het Staatshuys, graag adviseren/ondersteunen.

Leo Steijn